Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser ontving een uitwonendenbeurs, maar DUO herzag deze naar de norm voor thuiswonenden omdat uit onderzoek bleek dat eiser niet feitelijk woonde op het BRP-adres. Controleurs bezochten het adres, constateerden een verhuizing en dat eiser niet op het adres verbleef. Eiser voerde aan dat hij zijn hoofdverblijf op dat adres had en overlegde documenten en foto's ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij DUO lag en dat eiser onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had aangeleverd om het tegendeel te bewijzen. De kamer was niet ingericht als studentenkamer, er waren nauwelijks persoonlijke spullen van eiser aanwezig en post of elektronica ontbraken. De stelling dat eiser zijn spullen in de auto bewaarde overtuigde niet.
De rechtbank volgde DUO in de herziening van de studiefinanciering vanaf 1 oktober 2018 en de terugvordering van €3.164,91. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd het beroep ontvankelijk verklaard ondanks termijnoverschrijding, omdat niet kon worden vastgesteld wanneer het bestreden besluit aan eiser was verzonden.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van studiefinanciering wordt ongegrond verklaard.