Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena verleende een omgevingsvergunning voor het oprichten van een hondenverblijf van 145 m², groter dan toegestaan in het bestemmingsplan. Eiser, wonende nabij het perceel, maakte bezwaar vanwege geluidsoverlast en het vermeende bedrijfsmatige karakter van de hondenhouderij. Het bezwaar werd ongegrond verklaard waarna eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel belanghebbende is omdat hij zicht heeft op het bijgebouw en geluidsoverlast ervaart. De vergunning is verleend op basis van de kruimelgevallenregeling, maar de rechtbank toetste het besluit aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. De rechtbank concludeerde dat het houden van circa twintig honden hobbymatig is en niet bedrijfsmatig, en dat het bijgebouw landschappelijk zorgvuldig is ingepast.
Hoewel het college niet expliciet inging op kwaliteitsverbetering van het landschap, herstelde het dit motiveringsgebrek adequaat met beleidsregels. Geluidsoverlast valt onder handhaving en vormt geen reden om de vergunning te weigeren. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.