Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Wettelijk kader
Beoordeling door de rechtbank
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft een WAZO-uitkering aangevraagd met ingang van 23 december 2019, maar het UWV wees deze af omdat zij sinds 2 september 2019 geen verzekeringsplichtige arbeid meer had verricht en geen WW-uitkering ontving. De rechtbank overweegt dat eiseres onvoldoende weken heeft gewerkt om aan de wekeneis voor WW te voldoen en dat zij niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen vanwege de opting-in regeling.
Eiseres voerde aan dat zij wel in aanmerking moest komen voor de WAZO-uitkering, onder meer op grond van loonstroken van Direct Payroll, maar het UWV stelde dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van de WAZO, die vereist dat men werknemer is in de zin van de werknemersverzekeringen. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij na 2 september 2019 verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht en dat het bezwaar tegen de afwijzing van de WW-uitkering niet is voortgezet in beroep, waardoor dit besluit in rechte vaststaat.
De rechtbank concludeert dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WAZO-uitkering wordt ongegrond verklaard.