Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 12 januari 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft een verzoek tot naturalisatie ingediend dat op 9 april 2020 werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar, maar dit bezwaar werd op 17 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Eiseres voerde aan dat zij door ziekte van haar gemachtigde en de coronapandemie niet tijdig bezwaar kon maken.
De rechtbank oordeelt dat de bezwaartermijn een fatale termijn is en dat overschrijding alleen verschoonbaar is bij zeer bijzondere omstandigheden. Hoewel de situatie van eiseres en haar gemachtigde mede door ziekte en corona moeilijk was, is dit onvoldoende om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Het handelen of nalaten van de gemachtigde is voor rekening van eiseres.
De rechtbank wijst ook het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat er geen ondubbelzinnige toezegging was dat een te laat ingediend bezwaar ontvankelijk zou zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.