Belanghebbende, woonachtig in Litouwen en werkzaam op een schip onder Bahama’s vlag, diende in 2016 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) in voor 2015. De aanslag werd vastgesteld conform deze aangifte, zonder bezwaar binnen de termijn.
In 2019 maakte belanghebbende alsnog bezwaar naar aanleiding van een HvJ-uitspraak van mei 2019 over de toepassing van de restbepaling in Verordening (EG) nr. 883/2004, waarin werd bevestigd dat de wetgeving van de woonstaat van toepassing is op zeevarenden in soortgelijke situaties. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en weigerde ambtshalve vermindering.
De rechtbank oordeelde dat de nieuwe jurisprudentie van het HvJ pas na onherroepelijkheid van de aanslag is gewezen, waardoor de uitzondering in artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001 van toepassing is. Tevens is het niet verlenen van ambtshalve vermindering niet in strijd met Europees recht, omdat niet voldaan is aan de uitzonderlijke voorwaarden voor heroverweging van definitieve besluiten.
Het beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering bevestigd.