Eiser, exploitant van een horecagelegenheid op een bedrijventerrein, verzocht om een omgevingsvergunning voor uitbreiding van zijn horecagelegenheid. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg weigerde deze vergunning omdat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, dat de locatie bestemde als bedrijventerrein en geen afwijking toestond voor horeca-uitbreiding.
De rechtbank oordeelde dat het pand niet kwalificeerde als een hoofdgebouw in de zin van het Besluit omgevingsrecht, waardoor het college niet bevoegd was om de vergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Daarnaast waren de door het college aangevoerde redenen, zoals toename van geurhinder, beperking van vestiging van risicovolle bedrijven en strijd met provinciale verordeningen, redelijk en voldoende onderbouwd.
Eiser voerde aan dat het college een te restrictieve uitleg gaf en onvoldoende rekening hield met de feiten, maar de rechtbank vond dat eiser geen ruimtelijke onderbouwing had geleverd en dat het college de beleidsruimte correct had benut. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur faalde omdat de situatie van eiser niet gelijk was aan die van omliggende percelen met horecabestemming.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende eiser proceskostenvergoeding toe en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het vonnis werd gewezen door rechter M.J. Schouw op 26 maart 2021.