Eiseres, werkzaam als receptioniste/telefoniste voor 13 uur per week, kreeg vanaf 1 februari 2019 een WW-uitkering en meldde zich op 19 april 2019 ziek vanwege heupklachten. Na dertien weken keerde het UWV een Ziektewetuitkering uit. Op 14 februari 2020 oordeelde het UWV dat eiseres vanaf 19 februari 2020 arbeidsgeschikt was voor haar eigen werk en beëindigde de uitkering. Eiseres maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank baseert zich op medische rapportages van een arts en verzekeringsartsen van het UWV die oordelen dat eiseres ondanks haar beperkingen geschikt is voor haar administratieve werkzaamheden, waarbij zij afwisselend kan zitten en staan. Eiseres betoogt dat zij ernstiger beperkt is en verwijst naar aanvullende medische stukken, maar deze leveren volgens de rechtbank geen nieuwe inzichten op die het eerdere oordeel ondermijnen.
De rechtbank benadrukt dat alleen objectief vastgestelde beperkingen relevant zijn en dat de subjectieve klachten van eiseres onvoldoende onderbouwd zijn om tot een andere conclusie te komen. Ook de toekenning van een nieuwe Ziektewetuitkering per 2 september 2020 na een nieuwe ziekmelding verandert hier niets, omdat daarvoor nog geen medische beoordeling is gedaan.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.