Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De benadeelde partij
5.De beslissing
de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 17 augustus 2019 werd verdachte gezocht wegens vernieling en bedreiging, waarbij politieagenten hem als vuurwapengevaarlijk inschatten op basis van verouderde informatie. Tijdens de aanhouding werd verdachte, die een halflege wijnfles vasthield, door een hoofdagent in het been geschoten, wat leidde tot ernstig en blijvend letsel.
De verdediging betoogde dat het vuurwapengebruik onrechtmatig was en dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van een strafvorderlijk belang. De rechtbank oordeelde dat het vuurwapengebruik niet voldeed aan de Ambtsinstructie en daarmee onrechtmatig was, wat een onherstelbaar vormverzuim opleverde.
Gezien het ernstige letsel van verdachte, het ontbreken van een redelijk strafvorderlijk belang en het feit dat de officier van justitie slechts een minimale straf eiste, concludeerde de rechtbank dat de vervolgingsbeslissing apert onredelijk was. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens onrechtmatig vuurwapengebruik en een apert onredelijke vervolgingsbeslissing.