Eiser was sinds 2013 arbeidsongeschikt vanwege schouder- en nekklachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV wijzigde in 2019 de uitkering van loonaanvullingsuitkering naar WGA-vervolguitkering, waarna eiser bezwaar maakte. Na een primair besluit en een bestreden besluit handhaafde het UWV een arbeidsongeschiktheidspercentage van 56,72% per 1 december 2019.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van het UWV, dat was gebaseerd op rapportages van verzekeringsartsen en aanvullend neuropsychologisch onderzoek. De verzekeringsartsen concludeerden dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Eiser voerde aan dat het UWV ten onrechte geen urenbeperking had opgenomen en dat zijn cognitieve achteruitgang onvoldoende was meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve aanwijzingen waren dat eiser meer beperkt was dan vastgesteld. Ook de door eiser overgelegde medische informatie gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige van het UWV had passende functies geselecteerd voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid, welke door de rechtbank werden bevestigd.
De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 56,72% had vastgesteld en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.