In deze bestuursrechtelijke zaak staat de omgevingsvergunning voor de verbouwing van een voormalig bankgebouw tot appartementencomplex centraal. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen verleende op 10 januari 2019 een omgevingsvergunning aan de vergunninghoudster, welke door eisers werd bestreden. Na een bezwaarprocedure en een bestreden besluit van 28 mei 2019, dat het bezwaar ongegrond verklaarde, werd het beroep van eisers bij de rechtbank behandeld.
De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het oorspronkelijke bestreden besluit gebreken vertoonde en gaf het college de gelegenheid een nieuw besluit te nemen op basis van een gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan. Dit gewijzigde besluit van 10 maart 2020 verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond, met aanpassingen in de motivering en een aanvullend voorschrift over parkeerplaatsen.
Eisers trokken hun beroep tegen het gewijzigde bestemmingsplan in, waardoor dit onherroepelijk werd. De rechtbank toetste vervolgens of het college het gewijzigde besluit op goede gronden had genomen, met name inzake de parkeernormering en bodemverontreiniging. De rechtbank concludeerde dat het gewijzigde besluit aan de eisen voldoet en dat het parkeerplan adequaat is. Het bezwaar over bodemverontreiniging werd niet inhoudelijk beoordeeld vanwege het relativiteitsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het oorspronkelijke besluit van 28 mei 2019 en vernietigde dit, maar verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eisers.