ECLI:NL:RBZWB:2021:1820
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling CBR in proceskosten na intrekking ongeldigverklaring rijbewijs
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het CBR van 31 augustus 2020 waarin zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard. Op 12 januari 2021 heeft het CBR dit bestreden besluit ingetrokken, waarna verzoeker het beroep introk en het CBR verzocht werd in de proceskosten te worden veroordeeld.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geoordeeld dat het intrekken van het besluit door het CBR een tegemoetkoming aan verzoeker inhoudt. Daarom veroordeelde de rechtbank het CBR in de proceskosten.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 534,- voor de beroepsmatige rechtsbijstand en wees erop dat het griffierecht van € 178,- door het CBR aan verzoeker moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 9 april 2021.
Uitkomst: Het CBR wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,- na intrekking van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.