Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda omtrent zijn bijstandsuitkering. Na herziening van het besluit door het college en betaling van de nabetaling trok verzoeker het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank overwoog dat verzoeker onder bewind is gesteld en vertegenwoordigd wordt door zijn bewindvoerder. Een bewindvoerder wordt niet gelijkgesteld met een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, omdat het voeren van procedures onderdeel is van diens taak. Hierdoor zijn de door de bewindvoerder gemaakte kosten niet aan te merken als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Verder oordeelde de rechtbank dat het college het griffierecht van €48,- aan verzoeker dient te vergoeden, waardoor een proceskostenveroordeling niet nodig is. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd daarom afgewezen.