ECLI:NL:RBZWB:2021:1845

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
AWB- 20_7397
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 1:441 BWArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding bij intrekking beroep door bewindvoerder

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda omtrent zijn bijstandsuitkering. Na herziening van het besluit door het college en betaling van de nabetaling trok verzoeker het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank overwoog dat verzoeker onder bewind is gesteld en vertegenwoordigd wordt door zijn bewindvoerder. Een bewindvoerder wordt niet gelijkgesteld met een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, omdat het voeren van procedures onderdeel is van diens taak. Hierdoor zijn de door de bewindvoerder gemaakte kosten niet aan te merken als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Verder oordeelde de rechtbank dat het college het griffierecht van €48,- aan verzoeker dient te vergoeden, waardoor een proceskostenveroordeling niet nodig is. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat bewindvoerder niet gelijkgesteld wordt met derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7397 PW
uitspraak van 15 april 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [naam woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: M. Cardinaal,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 juni 2020 (bestreden besluit) van het college om:
  • zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 december 2019 te hervatten,
  • het besluit tot intrekking van zijn recht op bijstand over de maand november 2019 en de daarmee samenhangende terugvordering in te trekken, en
  • de nabetalingen van zijn bijstandsuitkering te verrekenen met de vorderingen die het college nog op verzoeker heeft.
Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het college het bestreden besluit herzien, in die zin dat de nabetaling over de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2020 alsnog aan verzoeker betaalbaar wordt gesteld.
Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft op dit verzoek gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat geen recht op een proceskostenvergoeding bestaat, omdat geen sprake is van een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daartoe overweegt de rechtbank dat verzoeker op grond van artikel 1:441 van Pro het Burgerlijk Wetboek, nu hij onder bewind is gesteld, in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder. Naar het oordeel van de rechtbank kan een bewindvoerder die optreedt als wettelijk vertegenwoordiger van een natuurlijk persoon voor de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb niet worden gelijkgesteld met een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, omdat het voeren van procedures onderdeel is van de taak van een door de rechtbank benoemde bewindvoerder. Dit betekent dat het salaris van een bewindvoerder mede is bedoeld om de kosten te dekken die procederen met zich meebrengt. De door de bewindvoerder gemaakte kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan te merken als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Nu ook niet is gebleken van andere kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Bpb, zijn er geen kosten die op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 48,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van J.J.P.M. van Gestel, griffier, op 15 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.