Eiser, voormalig taxichauffeur, ontving een Ziektewet-uitkering gekoppeld aan een WW-uitkering die in 2016 werd beëindigd omdat hij volgens het UWV geschikt werd geacht voor arbeid als houtwarensamensteller. Eiser maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. In 2018 kreeg eiser een WIA-uitkering voor werkzaamheden bij een andere werkgever.
Eiser verzocht in 2019 om herziening van het besluit uit 2016, onderbouwd met medische informatie en een second opinion die nieuwe inzichten zouden geven over zijn arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees dit verzoek af omdat er volgens hen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde dat de medische stukken die eiser overlegde betrekking hadden op een periode die al bekend was of eerder had kunnen worden ingediend bij het UWV. De toekenning van de WIA-uitkering was een nieuw feit, maar viel buiten de relevante periode en kon daarom niet zwaar wegen. Ook was het besluit niet evident onredelijk en had het UWV voldoende gemotiveerd gehandeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wees erop dat bij verslechtering of intensivering van de medische situatie na de datum van het besluit, eiser een melding kan doen voor een herkeuring. Het vonnis werd uitgesproken door rechter C.E.M. Marsé op 15 april 2021.