ECLI:NL:RBZWB:2021:1878

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
AWB- 20_6406
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek Ziektewet-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser, voormalig taxichauffeur, ontving een Ziektewet-uitkering gekoppeld aan een WW-uitkering die in 2016 werd beëindigd omdat hij volgens het UWV geschikt werd geacht voor arbeid als houtwarensamensteller. Eiser maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. In 2018 kreeg eiser een WIA-uitkering voor werkzaamheden bij een andere werkgever.

Eiser verzocht in 2019 om herziening van het besluit uit 2016, onderbouwd met medische informatie en een second opinion die nieuwe inzichten zouden geven over zijn arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees dit verzoek af omdat er volgens hen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.

De rechtbank oordeelde dat de medische stukken die eiser overlegde betrekking hadden op een periode die al bekend was of eerder had kunnen worden ingediend bij het UWV. De toekenning van de WIA-uitkering was een nieuw feit, maar viel buiten de relevante periode en kon daarom niet zwaar wegen. Ook was het besluit niet evident onredelijk en had het UWV voldoende gemotiveerd gehandeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wees erop dat bij verslechtering of intensivering van de medische situatie na de datum van het besluit, eiser een melding kan doen voor een herkeuring. Het vonnis werd uitgesproken door rechter C.E.M. Marsé op 15 april 2021.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het verzoek om herziening van de Ziektewet-uitkering afwijzen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/6406 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. D.P.M.A.H. Roks,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(het UWV, kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 25 oktober 2019 (primair besluit) heeft het UWV eisers verzoek om een eerder genomen besluit van 26 (de rechtbank begrijpt: 23) september 2016 te herzien, afgewezen. Dat besluit van 23 september 2016 strekte tot beëindiging van eisers uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
In het besluit van 31 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 15 januari 2021. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en drs. S. Barto namens het UWV.

Overwegingen

1.
Feiten
Eiser is werkzaam geweest als taxichauffeur bij [naam werkgever 1] . Daarnaast had hij inkomsten uit een WW-uitkering, die hem in 2016 is toegekend op basis van een dienstverband bij de [naam werkgever 2] . Vanuit die situatie meldde eiser zich zowel bij zijn werkgever, als bij het UWV per 28 september 2015 arbeidsongeschikt. Het UVW heeft eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend vanuit de WW-uitkering.
Als gevolg van de Eerstejaarsbeoordeling Ziektewet is eiser bij besluit van 23 september 2016 weer geschikt geacht voor het verrichten van ‘zijn arbeid’. In dit geval betekende dat het werk van houtwarensamensteller (SBC-code 262140), omdat deze functie bij een eerdere keuring voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) inzake zijn werk bij de [naam werkgever 2] geschikt voor hem werd geacht.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft het UWV dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Sinds 24 september 2018 ontvangt eiser een WIA-uitkering (op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 75,36%) inzake zijn werk bij [naam werkgever 1] .
Eiser heeft op 4 april 2019 verzocht om herziening van het besluit van 23 september 2016.
Bij brief van 13 augustus 2019 heeft het UWV eiser de gelegenheid geboden dat verzoek nader te onderbouwen. Van die gelegenheid heeft eiser bij brief van 2 september 2019 gebruik gemaakt.
In het primaire besluit heeft het UWV het verzoek om herziening afgewezen. De ‘ingekomen stukken en gegevens reiken geen andere inzichten aan dat reeds gekend’, heeft het UWV daarbij gemotiveerd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.
Standpunt van eiser
Eiser heeft - samengevat weergegeven - in beroep betoogd dat zijn ZW-uitkering destijds ten onrechte is stopgezet. De ZW-uitkering zag op het gedeelte WW-uitkering en werd beëindigd, maar voor de uren bij [naam werkgever 1] is aan eiser - in een parallel traject naar aanleiding van dezelfde ziekmelding op 28 september 2015 - na een wachttijd van 3 jaar een WIA-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 75,36%. De WIA-uitkering is verstrekt per 24 september 2018 en daarmee een nieuw feit.
Tevens heeft eiser in beroep een second opinion laten uitvoeren door [naam bedrijf] . [naam bedrijf] heeft gerapporteerd op 3 juni 2020 en geconcludeerd dat de informatie van de bedrijfsarts en de GGZ en het behandelschema nieuwe inzichten opleveren die argumenten kunnen leveren voor een verminderde beschikbaarheid als gevolg van de behandeling met enige benodigde recuperatie, mogelijk preventieve argumenten met betrekking tot de verminderde mentale draagkracht en een mogelijk verstoorde energiebalans zich uitend in passiever gedrag. Met betrekking tot deze argumenten levert de informatie nieuwe inzichten op en kan er dus gesproken worden van nieuwe feiten. Als deze nieuwe feiten beoordeeld worden, zal blijken dat destijds de ZW-uitkering van eiser niet had mogen worden stopgezet. Immers, hij is kort na 23 september 2016 gestart met een intensieve behandeling bij de GGZ, gedurende welke periode hij niet in staat was om te werken. Vanaf oktober 2016 ging het niet goed met hem en heeft hij diverse medicijnen voorgeschreven gekregen en zijn er behandelingen gestart.
Mocht er onverhoopt geen sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden, dan beroept eiser zich erop dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het UWV heeft nagelaten medische informatie op te vragen waardoor het besluit onvoldoende is gemotiveerd.
3.
Het standpunt van verweerder
Het bestreden besluit is gebaseerd op de rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
De primaire arts [naam primaire arts] heeft overlegd met verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] en de aangeleverde gegevens bestudeerd. Op 23 oktober 2019 heeft hij gerapporteerd dat niet geobjectiveerd kan worden dat er nieuwe inzichten zijn, dusdanig dat eiser volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht wegens het volgen van een intensieve medische behandeling in de zin van de ZW. Het herzieningsverzoek dient daarom te worden afgewezen.
Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts B&B] heeft het dossier en de informatie die door eiser in het kader van het herzieningsverzoek is aangeleverd, bestudeerd. Dit is informatie van maatschappelijk werker [naam maatschappelijk werker] van 27 juni 2017 en 10 januari 2019, de bladzijden 1 en 2 van 5 uit een individueel behandelplan van psychiater [naam psychiater] van 2 december 2016, een GGZ-intakeverslag van [GGZ- medewerker] van 30 november 2016, een medicatielijst gemaakt van kopieën van etiketten van medicijndoosjes, een afsprakenoverzicht in code van de GGD en een terugkoppeling van Health@Work medewerkster [naam Health@Work medewerkster] van 2 augustus 2016.
[naam verzekeringsarts B&B] concludeert dat alles overwegende er geen duidelijke nieuwe medische informatie of feiten zijn aangedragen waardoor herziening van de beslissing van 23 september 2016 noodzakelijk is. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden, die niet reeds bij de beslissing van 26 september 2016 bekend waren of konden zijn. Tevens is op basis van de nageleverde informatie niet vast te stellen dat de behandeling dermate intensief was dat eiser volledig niet beschikbaar was voor het verrichten van arbeid.
Het is volgens de verzekeringsarts b&b voorts niet vreemd dat het verzoek om herziening wordt beoordeeld door dezelfde arts als die eerder de medische beoordeling heeft gedaan, omdat juist de beoordelend arts kan beoordelen of er daadwerkelijk nieuwe informatie wordt ingebracht. Die arts kan immers zien of de aangeleverde gegevens anders zijn en tot een andere conclusie dienen te leiden. Er mag van een beoordelend arts worden verwacht dat deze openstaat voor een eventuele wijziging van eerder gegeven advies, omdat er nieuwe gegevens kunnen zijn die die arts op het moment van beoordelen nog niet kon kennen. De arts hoeft dan ook geen fout toe te geven.
[naam verzekeringsarts B&B] concludeert dat in de aangeleverde informatie geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn opgenomen, die niet reeds bij de beslissing van 26 september 2016 bekend waren of konden zijn.
Ter zitting is door de gemachtigde van het UWV toegelicht dat het standpunt van het UVW zo moet worden geïnterpreteerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Er is niet aan een inhoudelijke beoordeling toegekomen. De stukken zijn alleen beoordeeld op de vraag of ze nieuwe informatie bevatten, die speelde ten tijde in geding, maar die toen nog niet overgelegd had kunnen worden.
4.
Wettelijk kader en jurisprudentie
Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.
Voor wat betreft de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Deze nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dienen feiten of omstandigheden te zijn die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder vastgestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat betrokkene heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
5.
Omvang van het geschil
Nu het UVW het herzieningsverzoek heeft afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden, ligt ter beoordeling aan de rechtbank voor of eiser nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd.
6.
Het oordeel van de rechtbank
De (medische) informatie die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek, betreft brieven van maatschappelijk werker [naam maatschappelijk werker] van 27 juni 2017 en 10 januari 2019, de bladzijden 1 en 2 van 5 uit een individueel behandelplan van psychiater [naam psychiater] van 2 december 2016, een GGZ-intakeverslag van [GGZ- medewerker] van 30 november 2016, een medicatielijst gemaakt van kopieën van etiketten van medicijndoosjes, een afsprakenoverzicht van de GGD en een terugkoppeling van Health@Work medewerkster [naam Health@Work medewerkster] van 2 augustus 2016. Uit de afsprakenlijst van de GGZ volgt dat eiser in behandeling is geweest van 1 september 2016 tot en met 9 juni 2017. Nu de datum in geding in deze periode valt, had deze informatie, en dus ook de informatie over de behandeling zelf, eerder kunnen worden overgelegd aan het UVW, met de vraag om deze informatie bij de beoordeling te betrekken. Dit is aldus geen nieuwe informatie in de zin van de wet. Hetzelfde geldt voor de informatie van Van Wonderen, nu deze informatie ziet op dezelfde periode. De pagina’s uit het individueel behandelplan zijn opgesteld op 2 december 2016, dus ná de datum in geding, maar wat dit plan betreft, kan de rechtbank zich vinden in de stelling van het UWV dat in dit behandelplan geen informatie is opgenomen die op de datum in geding niet al bekend was bij de artsen van het UWV. Hetzelfde geldt voor het intake-verslag [GGZ- medewerker] en de brief van 27 juni 2017 van Van Wonderen. De medisch inhoudelijke informatie die in deze stukken staat vermeld, was al bekend bij het UWV of had – zoals aan de orde bij de niet beschikbaarheid voor werk als gevolg van de behandeling – al voor 23 september 2016 gemeld kunnen worden bij de artsen van het UWV, zodat zij die informatie bij hun beoordeling hadden kunnen betrekken. De brief van [naam Health@Work medewerkster] is van vóór de datum in geding en alleen daarom al geen informatie die niet eerder had kunnen worden overgelegd.
De toekenning van een WIA-uitkering voor de uren die eiser werkzaam is geweest bij [naam werkgever 1] is op zichzelf een nieuw gegeven, maar daar kan niet het gewicht aan worden toegekend dat eiser daar graag aan toegekend had willen zien. De WIA-uitkering is immers pas na een wachttijd van 3 jaren toegekend en kent daarom een datum in geding die ruim twee jaar later ligt dan de datum in geding in de onderhavige zaak.
De rechtbank is aldus, anders dan [naam bedrijf] en eiser, op grond van het voorgaande van oordeel dat het UWV in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat de in het kader van het herzieningsverzoek overgelegde gegevens geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden opleveren als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Hierdoor wordt aan een inhoudelijke beoordeling van deze gegevens niet toegekomen.
Voorts overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Evenmin kan het UWV worden tegengeworpen dat zij onvoldoende medische informatie heeft opgevraagd, nu het aan eiser was om het UWV erop te attenderen dat deze informatie er was.
Omdat het UWV op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en het besluit niet als evident onredelijk is aan te merken, is de rechtbank van oordeel dat het UWV het verzoek om terug te komen op het besluit van 23 september 2016 op deze grond heeft kunnen afwijzen. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Tot slot wijst de rechtbank er op dat bij een intensivering van de behandeling of een verslechtering van de medische situatie van eiser na de datum in geding, dit kan worden doorgegeven aan het UWV in een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid, waardoor de mogelijkheid van een herkeuring bestaat.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 15 april 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.