Eiser ontving sinds september 2019 een bijstandsuitkering van de gemeente Dongen. Het college stelde een onderzoek in vanwege een vermoeden dat eiser niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde. Op basis van verklaringen van eiser, bankafschriften, meterstanden en een rapport uitkeringsfraude concludeerde het college dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had in de beoordelingsperiode van 10 september tot 1 december 2019. Eiser werd verweten de inlichtingenplicht te hebben geschonden door dit niet te melden.
Eiser voerde aan dat hij naar eer en geweten informatie had verstrekt en dat hij de meeste nachten in de woning in Dongen verbleef. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van 14 januari 2020, waarin eiser aangaf pas vanaf december 2019 volledig in Dongen te verblijven, betrouwbaar zijn. Eiser kon zijn stellingen omtrent contante betalingen en aanwezigheid niet concreet onderbouwen.
De rechtbank concludeerde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het college terecht het recht op bijstand over de beoordelingsperiode had ingetrokken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.