De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door gedurende ongeveer zeventien maanden cocaïne te verkopen en afleveren. De bewezenverklaring betreft de periode van 1 november 2017 tot en met 12 april 2019, omdat onvoldoende bewijs bestond voor de periode daarvoor.
De rechtbank oordeelde dat verdachte zich structureel en op grotere schaal bezighield met de handel in cocaïne, ondanks zijn stelling dat hij slechts incidenteel aan vrienden leverde. Dit werd onderbouwd met sms- en whatsappberichten, overlastmeldingen en zijn eigen verklaringen. De ernst van het feit en de volksgezondheidsrisico’s van cocaïnehandel werden zwaar meegewogen.
De strafoplegging resulteerde in een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarbij rekening is gehouden met de duur van de pleegperiode en het tijdsverloop tussen aanhouding en vonnis. Daarnaast werden een geldbedrag, een telefoon en een auto verbeurd verklaard, en diverse gebruiksvoorwerpen aan het verkeer onttrokken. De rechtbank wees het verzoek van de verdediging voor een lichtere, voorwaardelijke straf af.