De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 29 april 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal en opzetheling van een grote hoeveelheid babyvoeding/melkpoeder. De diefstal vond plaats op 15 januari 2018 in Katwijk, waarbij een oplegger met 11.340 potten babyvoeding werd weggenomen. Verdachte werd ervan beschuldigd deze goederen te hebben gestolen of geheeld.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om verdachte de diefstal te verwijten en sprak hem daarvan vrij. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 15 januari tot en met 5 februari 2018 een hoeveelheid van 5.662 potten babyvoeding in zijn schuur had, terwijl hij wist dat deze van diefstal afkomstig waren. Verdachte erkende ter zitting dat hij had moeten weten dat de goederen van een misdrijf afkomstig waren, waardoor opzetheling werd vastgesteld.
De officier van justitie vorderde een werkstraf van 240 uur, maar de rechtbank hield rekening met het strafblad, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en vooral de schending van de redelijke termijn. De zaak was ruim drie jaar na inverzekeringstelling pas inhoudelijk behandeld, wat een overschrijding van ruim een jaar betekende. Hierdoor werd de straf gematigd tot een werkstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
De rechtbank bepaalde tevens dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht en sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten. De strafoplegging weerspiegelt de ernst van het feit, maar houdt rekening met procesrechtelijke waarborgen en persoonlijke omstandigheden.