Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
[medeverdachte 2]) gevraagd om mee te lopen naar een auto en moest hij instappen. In de auto zaten verder ‘ [bijnaam] ’, [medeverdachte 3] (
[medeverdachte 3]) en [medeverdachte 1] . Ze reden door een bos een zandpad op. Daar moest hij uitstappen en meelopen. Alle inzittenden van de auto liepen ook mee. Hij hoorde dat [medeverdachte 3] tegen ‘ [bijnaam] ’ zei dat hij moest uitkijken of er mensen aankwamen. ‘ [bijnaam] ’ stond op ongeveer 25 meter bij hem vandaan. De andere personen liepen in een kringetje om hem heen. Vervolgens werd hij tegen zijn lijf en hoofd geschopt en geslagen. Hij is een tijd bewusteloos geweest. Hij voelde dat hij niet meer kon lopen. Hij werd enige tijd later in zalencentrum [naam 5] neergezet. Op 8 mei 2016 kreeg hij in het ziekenhuis visite van een aantal leden van de [naam 6] . ‘ [bijnaam] ’ zei tegen hem dat hij moest voordoen alsof hij een ongeluk met de motor had gehad.
[verdachte]), de gebochelde voorop loopt. De verbalisanten houden hem vervolgens voor dat [naam 1]
( [naam 1] )niet op deze beelden te zien is. Pas nadat aan aangever de vraag is voorgelegd hoe het kan dat op de beelden [verdachte] wel wegloopt bij het crematoriumterrein ten tijde van de mishandeling, verklaart aangever dat [verdachte] er ook bij is geweest.
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;