ECLI:NL:RBZWB:2021:220
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV in proceskosten na toekenning Wajonguitkering
Verzoeker stelde beroep in tegen het besluit van het UWV van 4 juli 2019 waarin een Wajonguitkering werd geweigerd. Het UWV wijzigde dit besluit op 14 juli 2020 en kende alsnog met terugwerkende kracht per 9 november 2018 een Wajonguitkering toe. Een latere wijziging op 22 september 2020 betrof de ingangsdatum van deze uitkering.
Nadat het beroep hierdoor feitelijk was opgelost, trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV reageerde niet op dit verzoek. De rechtbank besloot de zaak zonder zitting te behandelen en oordeelde dat het UWV aan verzoeker was tegemoetgekomen.
Op grond van artikel 8:75a Awb veroordeelde de rechtbank het UWV in de proceskosten, vastgesteld op € 1.068,00 voor professionele rechtsbijstand. Het griffierecht van € 47,00 werd door het UWV rechtstreeks aan verzoeker vergoed, zodat hiervoor geen veroordeling nodig was. De uitspraak werd gedaan door rechter G.M.J. Kok op 18 januari 2021.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 1.068,00 na toekenning van de Wajonguitkering.