Eisers maakten bezwaar tegen een omgevingsvergunning verleend aan een vergunninghouder voor de uitbreiding van een woning, waarbij onder andere een dakkapel en een opbouw werden gerealiseerd. Zij vreesden dat dit zou leiden tot een toename van schaduw op hun perceel, waardoor hun woongenot zou afnemen. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de woning en tuin van eisers nog steeds gebruikt konden worden zoals voorheen.
De rechtbank oordeelde in een eerdere uitspraak dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning op het perceel van eisers en gaf het college opdracht een nieuw besluit te nemen. Het nieuwe besluit handhaafde het eerdere standpunt, gebaseerd op bezonningsdiagrammen, maar de rechtbank stelde vast dat het college niet alle relevante feiten had vermeld en de belangenafweging onvoldoende inzichtelijk had gemaakt.
De rechtbank constateerde dat de schaduwtoename niet alleen in de ochtend, maar ook in de middag op bepaalde dagen significant was. Hoewel het college het belang van de vergunninghouder voldoende had toegelicht, was de motivering van het besluit gebrekkig. De rechtbank vernietigde het besluit, liet de rechtsgevolgen in stand, en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.