ECLI:NL:RBZWB:2021:2233

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2021
Publicatiedatum
3 mei 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1476 VV en AWB 21_399
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep en voorlopige voorziening wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft bij de Raad van State beroep en een voorlopige voorziening aangevraagd tegen een besluit van 2 december 2020, maar deze zijn doorgezonden naar de rechtbank omdat de Raad van State niet bevoegd was. De griffier heeft verzoeker meerdere malen verzocht het griffierecht van €49,- te betalen, zowel voor de hoofdzaak als voor de voorlopige voorziening. Ondanks aanmaningen en de mogelijkheid om betalingsonmacht aan te voeren, heeft verzoeker het griffierecht niet voldaan.

De rechtbank constateert dat verzoeker ook in de hoofdzaak niet heeft betaald en geen beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Op grond van artikel 8:82 en Pro 8:41 Awb leidt het niet betalen van het griffierecht tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart daarom beide niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.E.M. Marsé en griffier J.M. van Sambeek op 30 april 2021 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1476 PW VV en BRE 21/399 PW

uitspraak van 30 april 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 12 december 2020 bij de Raad van State beroep ingesteld en een voorlopige voorziening aangevraagd onder vermelding van een besluit van 2 december 2020. Omdat niet De Raad van State bevoegd is, zijn het beroep en het verzoek op 25 maart 2021 doorgezonden aan deze rechtbank.
De griffier heeft verzoeker op 1 april 2021 verzocht om een kopie van het besluit van 2 december 2020. Verzoeker heeft niet op dit verzoek gereageerd.
De griffier heeft vervolgens de administratie van de rechtbank geraadpleegd, en geconstateerd dat er bij deze rechtbank inmiddels een drietal zaken van verzoeker bekend is onder de nummers 21/398 PW en 21/399 PW en 21/1477 PW. Gebleken is dat verzoeker reeds op 7 december 2020 bij verweerder bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van 2 december 2020, welke door verweerder bij beslissing van 7 januari 2021 niet-ontvankelijk is verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar heeft verzoeker beroep ingesteld. (procedurenummer 21/399 PW). Het verzoek om voorlopige voorziening geldt daarom als een verzoek gedaan tijdens het beroep bij de rechtbank.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt en/of een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82 in Pro samenhang met 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. Voor zowel de hoofdzaak als de voorlopige voorziening is het griffierecht vastgesteld op € 49,-. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de (voorzieningen)rechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet kan worden toegerekend.
Griffierecht in de voorlopige voorziening (21/1476 PW)
2. Bij aangetekende brief/nota van 3 april 2021 is verzoeker er op gewezen dat het griffierecht binnen twee weken moet zijn betaald en dat anders het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hij is er op gewezen dat indien hij meent dat hij het griffierecht niet kan betalen, hij een beroep kan doen op betalingsonmacht. Verzoeker heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald, noch heeft hij beroep op betalingsonmacht gedaan.
Griffierecht in de hoofdzaak (21/399 PW)
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker ook in de hoofdzaak, ondanks herhaaldelijk verzoek, heeft nagelaten het griffierecht van € 49,- te betalen. Bij aangetekende brief/nota van 25 februari 2021 is verzoeker meegedeeld dat hij een laatste mogelijkheid krijgt het griffierecht binnen vier weken te betalen. Hij is daarbij gewezen op de mogelijkheid een beroep op betalingsonmacht te doen. Ook is hij erop gewezen dat indien hij niet betaalt (zonder een beroep op betalingsonmacht te doen) zijn beroep door de rechtbank niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
4. Verzoeker heeft in geen van beide zaken binnen de gestelde termijn griffierecht betaald. Hij heeft ook geen beroep op betalingsonmacht gedaan. Nu verzoeker bij aangetekende brieven is gevraagd om tijdige betaling en hij gewezen is op de consequenties wanneer hij niet betaalt, komt dit voor zijn rekening en risico.
5. Zowel het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 7 januari 2021, is kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier op 30 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan - voor zover daarbij is beslist op het beroep - verzet worden gedaan bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.

BIJLAGE

Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:
De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:
Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:
Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
Artikel 8:82 van Pro de Awb luidt:
1. Van de verzoeker wordt door de griffier een griffierecht geheven.
2. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat de verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek voor de hoofdzaak verschuldigd is of zou zijn.
3. Artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen.
4. De griffier betaalt het griffierecht terug indien het verzoek wordt ingetrokken:
a. omdat het bestuursorgaan aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit tijdens de procedure over de hoofdzaak op te schorten, of
b. omdat de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen.
5. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
6. In andere gevallen kan het bestuursorgaan het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.