De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 april 2021 een zaak betreffende een minderjarige die sinds 2019 onder toezicht staat. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wegens ernstige zorgen over opvoeding, drugsgebruik en schoolverzuim. De moeder en minderjarige verzetten zich tegen de uithuisplaatsing, mede vanwege de hechte band en eerdere negatieve ervaringen bij de oma.
De kinderrechter constateerde dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet zijn bereikt en dat de zorgen zijn toegenomen. De moeder slaagt er niet in voldoende gezag en structuur te bieden, ondanks inzet van hulpverlening zoals MST. Huisvestingsproblemen en meldingen van overlast verergeren de situatie. De GI kon geen passende plaatsing bieden, met een wachttijd van minimaal drie maanden.
Gezien de zorgelijke situatie, het ontbreken van een geschikte opvangplek en de sterke moeder-kindrelatie, wees de rechtbank het verzoek tot uithuisplaatsing af. De ondertoezichtstelling werd verlengd tot 21 mei 2022. De rechtbank benadrukte de noodzaak van duidelijke afspraken en inzet van alle betrokkenen om de situatie te verbeteren, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek bij beschikbaarheid van een plek.