ECLI:NL:RBZWB:2021:2410

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2021
Publicatiedatum
12 mei 2021
Zaaknummer
AWB- 20_7762
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep tegen weigering WW-uitkering

Verzoeker stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om vanaf 1 januari 2020 geen WW-uitkering toe te kennen. Het UWV herzag dit besluit op 22 september 2020 en kende alsnog de uitkering toe met terugwerkende kracht. Hierop trok verzoeker het beroep in en verzocht om veroordeling van het UWV in de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het UWV aan verzoeker was tegemoetgekomen en dat daarom het verzoek tot proceskostenveroordeling gegrond was op grond van artikel 8:75a van de Awb. De proceskosten werden vastgesteld op € 534,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 48,- door het UWV aan verzoeker moet worden vergoed op grond van artikel 8:41 van Pro de Awb, waardoor een aparte veroordeling daarvoor niet nodig was.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van € 534,- aan proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 11 mei 2021 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 534,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7762 WW
uitspraak van 11 mei 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker,

gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 31 juli 2020 digitaal beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juni 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering om verzoeker vanaf 1 januari 2020 een uitkering toe te kennen op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Bij besluit van 22 september 2020 heeft het UWV het bestreden besluit herzien en besloten dat verzoeker met ingang van 1 januari 2020 alsnog recht heeft op een WW-uitkering.
Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft bij brief van 12 februari 2021 aangegeven geen bezwaar te maken tegen een proceskostenveroordeling.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 22 september 2020 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 48,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 11 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.