ECLI:NL:RBZWB:2021:2438

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2021
Publicatiedatum
14 mei 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1124
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar Jeugdwet

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Breda op haar bezwaarschrift tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om opvang en begeleiding op grond van de Jeugdwet.

De rechtbank stelde vast dat het college niet binnen de wettelijke beslistermijn had beslist, ondanks ingebrekestelling en verzoek tot spoedige besluitvorming. Het college heeft geen stukken of verweerschrift ingediend, waardoor de rechtbank het beroep gegrond verklaarde.

De rechtbank stelde de door het college verbeurde dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,- en legde een aanvullende dwangsom van € 100,- per dag op voor de termijnoverschrijding na de uitspraak, met een maximum van € 15.000,-. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het college werd opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen en bekend te maken. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om een hogere dwangsom toe te kennen.

De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 12 mei 2021 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het college van Breda is veroordeeld tot het binnen twee weken nemen van een besluit op het bezwaar en het betalen van een dwangsom van maximaal € 1.442,- plus € 100,- per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1124 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

wettelijk vertegenwoordiger: [naam vader] (vader),
gemachtigde: mr. R. Imkamp,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 9 maart 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar bezwaarschrift tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om opvang en begeleiding op grond van de Jeugdwet.
De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 11 augustus 2020 (primair besluit) heeft het college het verzoek van eiseres van 12 juni 2020 om hulp in de vorm van opvang en begeleiding gedeeltelijk afgewezen.
Bij brief van 16 september 2020 heeft eiseres een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit. Bij brief van 1 oktober 2020 zijn de gronden van bezwaar aangevuld.
Bij brief van 16 februari 2021 heeft eiseres het college medegedeeld dat de termijn om te beslissen op het bezwaarschrift is verstreken. Eiseres stelt dat het college in gebreke is gebleven op het bezwaarschrift te beslissen en heeft het college verzocht dit alsnog binnen twee weken te doen.
Bij brief van 9 maart 2021 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar door het college.
Bij brief van 15 maart 2021 heeft de rechtbank aan het college gevraagd de op de procedure betrekking hebbende stukken in te dienen. Daarnaast is het college verzocht in een verweerschrift aan te geven of de beslistermijn is overschreden, wat de reden is van de overschrijding van de beslistermijn en binnen welke termijn een besluit is te verwachten. Daarnaast is het college gevraagd, indien paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is, of een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb is verbeurd en zo ja tot welk bedrag.
Omdat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn heeft gereageerd op de brief van 15 maart 2021, heeft de rechtbank het college bij aangetekende brief van 2 april 2021 een herinnering toegezonden. Tot op heden heeft de rechtbank van het college geen stukken en ook geen verweerschrift ontvangen.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). In dit geval heeft het college een bezwarenadviescommissie ingesteld, zodat de beslistermijn twaalf weken is na de dag waarop de bezwaartermijn verstreken is (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb).
3. Nu het college niet aan zijn verplichting heeft voldaan om de stukken en een verweerschrift in te dienen, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat eiseres een tijdig bezwaarschrift heeft ingediend en dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres het college op 16 februari 2021 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken.
Het beroep is kennelijk gegrond.
4. In artikel 4:17 van Pro de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).
Het college heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling de dagtekening 16 februari 2021 heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingebrekestelling de volgende dag bij het college is ontvangen. De rechtbank constateert dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken, en dat het college nog steeds niet op het bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
De rechtbank bepaalt dat het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op bezwaar moet nemen en aan eiseres moet bekendmaken.
Eiseres verzoekt om een nadere dwangsom van € 200,- per dag. De rechtbank ziet echter in de door eiseres aangevoerde redenen geen bijzondere omstandigheden om een hogere dwangsom op te leggen, nu het college in deze zaak voor het eerst in gebreke is gesteld. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
7. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar bekend te maken;
  • stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
  • bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 267,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 12 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.