Verzoeker maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Breda die zijn bijstandsaanvragen buiten behandeling stelden vanwege het niet volledig aanleveren van urenregistratieformulieren. Verzoeker ontving sinds november 2020 geen bijstand meer omdat hij niet voldeed aan de verplichting om maandelijks een volledig ingevuld urenregistratieformulier in te leveren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, omdat verzoeker geen inkomen had en niet in zijn levensonderhoud kon voorzien. Toch werd het verzoek afgewezen omdat verweerder terecht de urenregistratieformulieren als noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van de bijstandsaanvraag kon verlangen. Verzoekers loonstroken waren onvoldoende om het recht op bijstand vast te stellen, mede gezien zijn langdurige aanwezigheid in de shoarmazaak van zijn zoon.
De rechtbank concludeerde dat de buitenbehandelingstelling naar verwachting stand zal houden in de hoofdzaak en dat er geen aanleiding was voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.