ECLI:NL:RBZWB:2021:2548

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2021
Publicatiedatum
21 mei 2021
Zaaknummer
AWB- 20_10189
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij verlaging bijstandsuitkering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om zijn bijstandsuitkering met 50% te verlagen over de periode van 1 februari tot 1 maart 2020. De rechtbank wees eiser op de verplichting tot betaling van griffierecht en vroeg om bewijs van betalingsonmacht. Na beoordeling van zijn inkomen wees de rechtbank het beroep op betalingsonmacht af omdat het inkomen niet onder de gestelde grens lag.

Eiser werd vervolgens aangetekend verzocht het griffierecht binnen vier weken te betalen, met de waarschuwing dat bij uitblijven het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard. De griffierechten werden niet betaald binnen de termijn. De rechtbank constateerde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was en besloot de zaak zonder inhoudelijke behandeling af te doen.

De beslissing is genomen op basis van de artikelen 8:41 en 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/10189 PW

uitspraak van 20 mei 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 12 december 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de verlaging van zijn uitkering met 50% van de bijstandsnorm over de periode van 1 februari 2020 tot 1 maart 2020 ingevolge de Participatiewet.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Eiser is schriftelijk gewezen op deze verplichting. Op 22 december 2020 heeft eiser een brief naar de rechtbank gestuurd. Daarin heeft hij medegedeeld dat hij niet bekend was dat er kosten verboden waren aan het indienen van een beroepschrift en dat hij het griffierecht niet kan betalen. De rechtbank heeft eiser bij brief van 29 januari 2021 medegedeeld dat voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’ strenge criteria gelden. Eiser is in de brief verzocht om gegevens over zijn inkomen en vermogen in te dienen. Bij brief van 8 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht afgewezen, omdat het netto-inkomen van eiser niet lager dan 95% van een maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande was. De rechtbank heeft vervolgens een nieuwe nota aan eiser verzonden.
2. Bij aangetekende brief van 8 april 2021 is eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om betaling van het griffierecht geen betaling is ontvangen. Eiser is voorts medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Eiser is er in deze brief op gewezen dat hij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
3. De rechtbank constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Derhalve zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.
4. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 8:41, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van J.J.P.M. van Gestel, griffier, op 20 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.
Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:
De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:
Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:
Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:
Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.