ECLI:NL:RBZWB:2021:2601
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor bouw schuur in strijd met bestemmingsplan
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg om vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een schuur met een bouwhoogte van 5 meter en een afstand van 1 meter tot de zijdelingse perceelsgrens, terwijl het bestemmingsplan een maximale hoogte van 4,5 meter en een afstand van 2,5 meter voorschrijft. Verzoeker stelde dat dit leidt tot een onevenredige belasting door verlies van zonlicht en dat het college geen belangenafweging had gemaakt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen op grond van artikel 2.12 Wabo in samenhang met artikel 4 Bor Pro, en dat een ruimtelijke onderbouwing niet vereist was. Wel constateerde de rechter motiveringsgebreken, omdat de bezonningsstudie onvoldoende inzicht gaf en het belang van vergunninghouder niet was meegewogen. Deze gebreken kunnen echter in de beslissing op bezwaar worden hersteld.
De rechter vond het spoedeisend belang van verzoeker voldoende, maar achtte het niet aannemelijk dat het belang van verzoeker zwaarder weegt dan dat van vergunninghouder. De schaduw van de schuur zou beperkt zijn en grotendeels samenvallen met die van de woning. Ook was de tuin van verzoeker groot genoeg om geen volledige schaduwwerking te ondervinden.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en liet de beoordeling van de belangenafweging over aan de bezwaarprocedure. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van de schuur wordt afgewezen.