De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag van de moeder en grootmoeder over hun minderjarige kind te beëindigen en om zelf samen met de moeder het gezag te verkrijgen. De vader baseerde zijn verzoek op artikelen 1:253v, 1:253n en 1:251a BW. De rechtbank oordeelde dat de vader niet behoort tot de kring van personen die een dergelijk verzoek kan indienen, omdat het gezamenlijk gezag van moeder en grootmoeder onder artikel 1:253t BW valt, dat niet onder de reikwijdte van artikel 1:253n BW valt. Daarom werd de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot beëindiging van het gezag.
Het verzoek van de vader om samen met de moeder het gezag te verkrijgen werd afgewezen omdat het gezamenlijk gezag van moeder en grootmoeder blijft bestaan. Ten aanzien van het verzoek om een omgangsregeling werd verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) en een zorgtraject via het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De rechtbank stelde resultaatafspraken vast gericht op het verbeteren van de communicatie en het bevorderen van onbelast contact tussen het kind, de ouders en de grootmoeder.
De Raad voor de Kinderbescherming werd verzocht om, indien nodig, advies uit te brengen na afloop van het zorgtraject. De rechtbank hield verdere beslissingen aan en gaf partijen de gelegenheid om op rapportages te reageren. De uitspraak werd gedaan door rechter Brouwer op 25 mei 2021.