ECLI:NL:RBZWB:2021:2648

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2021
Publicatiedatum
28 mei 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1295 VV + 21_1296 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking omgevingsvergunning voor bouw loods en hygiënesluis

Verzoeker maakte bezwaar tegen de intrekking van omgevingsvergunningen voor het bouwen van een loods-rundveestal en een ontvangstruimte met hygiënesluis op een perceel in Tilburg. Hij verzocht tevens om voorlopige voorzieningen om gebruik van de vergunningen mogelijk te maken voordat de bezwaarprocedure was afgerond.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van onverwijlde spoed die het niet kunnen afwachten van de bezwaarprocedure rechtvaardigde. Verzoeker stelde dat het niet kunnen bouwen de bedrijfsontwikkeling ernstig zou schaden, met name door het effect op de kalveropfok en de financiële situatie van het bedrijf.

Uit de overgelegde stukken bleek dat de vergunningen al in 2009 waren verleend en dat verzoeker al werkzaamheden had verricht. Ook al was er vertraging door persoonlijke omstandigheden en Covid-19, verzoeker kon zijn bedrijf nog exploiteren en had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de intrekking op korte termijn tot een financiële noodsituatie zou leiden.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de spoedeisendheid ontbrak en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de omgevingsvergunningen wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 21/1295 VV en 21/1296 VV

uitspraak van 20 mei 2021 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. W. Koster
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 16 februari 2021 (bestreden besluiten) inzake de intrekking van de aan hem verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods-rundveestal respectievelijk een ontvangstruimte en hygiënesluis op het perceel [adres] .
Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
Op 9 april 2021 heeft verzoeker een financiële onderbouwing van de spoedeisendheid ingezonden.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofd-zaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De vraag of de omgevingsvergunningen terecht is ingetrokken zal in de bodemzaak beoordeeld moeten worden. In deze voorlopige voorzieningprocedure ligt eerst de vraag voor of sprake is van een dermate spoedeisendheid dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten omdat hij voor die datum al gebruik zou willen maken van zijn (ingetrokken) omgevingsvergunningen.
2.1
Met het oog op de beantwoording van die vraag heeft de voorzieningenrechter aan verzoeker verzocht een financiële onderbouwing te geven van de noodzaak van het treffen van een voorlopige voorziening. Uit die onderbouwing moet blijken dat de door verzoeker gevreesde vertragingsschade ten gevolge van de intrekkingen dermate groot is dat de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure niet kan worden afgewacht.
2.2
In zijn reactie van 9 april 2021 heeft verzoeker aangegeven dat hij een bedrijf heeft met zoogkoeien en kalveren die tenminste 9 maanden bij elkaar moeten blijven. In de zomermaanden in de wei en in de wintermaanden op stal. Verzoeker wil een bedrijf voeren waarbij dierenwelzijn, hygiëne, machineonderhoud en goede werkomstandigheden hoog in het vaandel staan. Uiteraard in een vorm die financieel rendabel is en het niet kunnen bouwen belemmert volgens verzoeker deze uitgangspunten. Als de bouwwerken er niet op korte termijn komen dan kunnen er volgend jaar minder kalveren in de wei komen. Daarnaast zal vee wat niet aangehouden wordt, voor de winter verkocht moeten worden. Omdat dit vee vroegtijdig verkocht moet worden zal er minder voor gevraagd kunnen worden. In feite komt de bedrijfsontwikkeling stil te liggen, terwijl de intrekking de juridische toets niet zal doorstaan, aldus verzoeker.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat de beide vergunningen reeds in 2009 verleend zijn en dat verzoeker, naar hij in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven, in het afgelopen jaar zelf grondwerkzaamheden heeft verricht, riool, waterleiding en elektriciteit heeft aangelegd en dat hij daarnaast diverse bouwmaterialen heeft aangeschaft. Voorts heeft verzoeker een aannemingsovereenkomst met een werkschema overgelegd alsmede een verklaring dat zijn oudste zoon in november 2019 ernstig ziek is geworden, dat hij daarom in verband met Covid-19 in 2020 erg voorzichtig is geweest met externe contacten en geen bouwploeg op zijn erf wilde hebben. Maar deze omstandigheden laten onverlet dat verzoeker tot op heden zijn bedrijf heeft kunnen exploiteren. Verzoeker heeft ook niet gesteld dat de voortgang van de bouw dermate spoedeisend is dat hij de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure niet kan afwachten. Hij heeft betoogd dat het intrekken van de omgevingsvergunningen voor een aanzienlijke hoeveelheid schade zorgt, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bestreden intrekkingen op korte termijn zullen leiden tot een financiële noodsituatie voor zijn bedrijf.
4. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek afgewezen moet worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 20 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier E.J. Govaers, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.