Eisers ontvingen sinds 2011 een bijstandsuitkering. Orionis Walcheren trok deze uitkering in voor de periode van mei 2015 tot september 2019 vanwege het niet melden van werkzaamheden, inkomsten en vermogen, gebaseerd op een onderzoek en politiegegevens.
Eisers stelden dat zij geen voordeel hadden behaald en dat de bewijslast bij Orionis lag. Zij betwistten ook de motivering en hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank oordeelde dat Orionis voldoende aannemelijk had gemaakt dat eisers hun inlichtingenplicht hadden geschonden door het niet melden van ondernemingen en werkzaamheden.
De verklaringen van eisers en hun kinderen, politiecontroles en het ontbreken van een administratie ondersteunden dit. De rechtbank volgde de rechtspraak dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten gemeld moet worden, ongeacht of er daadwerkelijk inkomsten waren.
Terugvordering was verplicht omdat geen dringende redenen tot afzien waren aangetoond. De financiële situatie van eisers bood geen grond om terugvordering te weigeren. De hoofdelijke aansprakelijkheid van gezinsleden werd bevestigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.