Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 2 juni 2021 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van medeplegen van een poging tot afpersing van een cafetaria te Breda op 12 juni 2020. De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een medeverdachte de overval had voorbereid en uitgevoerd, waarbij verdachte een mes had meegegeven en voor de deur stond om te waarschuwen.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had op het delict en zich uit angst voor het verlies van zijn enige vriend had laten meevoeren. Verdachte zou zelfs geprobeerd hebben de overval te voorkomen door op het raam te bonzen om medeverdachte te laten stoppen. De rechtbank achtte de verklaring geloofwaardig, mede vanwege het leeftijdsverschil en de ongelijkwaardige vriendschapsrelatie.
De rechtbank stelde vast dat verdachte weliswaar nauwe en bewuste samenwerking had met medeverdachte, maar dat het vereiste dubbele opzet ontbrak. Verdachte had geen opzet op het plegen van de poging tot afpersing en handelde juist om erger te voorkomen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens de vrijspraak. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van opzet op het grondfeit ondanks nauwe samenwerking.