AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen vereenvoudigde behandeling belastingzaken ongegrond verklaard
Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank waarin deze zich onbevoegd verklaarde voor zover de beroepen tegen beslissingen van de ontvanger waren gericht en de beroepen voor het overige niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank heeft belanghebbende uitgenodigd om mondeling zijn verzet toe te lichten, maar hij is niet verschenen.
De rechtbank overweegt dat de vereenvoudigde behandeling van de zaken op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtmatig is toegepast, omdat de beroepen kennelijk onbevoegd of niet-ontvankelijk waren. De stelling van belanghebbende dat zijn zaken te belangrijk zijn voor een vereenvoudigde behandeling en dat de bewijsvoering van de belastingdienst eenzijdig zou zijn, is onvoldoende om de uitspraak te wijzigen.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en handhaaft de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het verzet van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/5522, 20/5523 en 20/5524
uitspraak van 4 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 AlgemenePro wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
tegen de met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, van 13 oktober 2020, verzonden op 20 oktober 2020.
1.Behandeling van het verzet
1.1.
Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank heeft de rechtbank zich met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Awb onbevoegd verklaard voor zover de beroepen waren gericht tegen beslissingen van de ontvanger en zijn de beroepen voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Bij brief van 9 oktober (waarschijnlijk is bedoeld november) 2020, door de rechtbank ontvangen op 10 november 2020, heeft belanghebbende verzet gedaan tegen deze uitspraak.
1.3.
Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brieven, verzonden op 25 maart 2021 (zaaknummer 20/5522) en op 31 maart 2021 (zaaknummers 20/5523 en 20/5524) aan belanghebbende op het adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu voormelde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 26 maart 2021 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden. De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 23 april 2021 te Breda, alwaar niemand is verschenen.
1.4.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
2.Feiten en de gronden van het verzet
2.1.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank is beslist zoals in 1.1 is vermeld.
2.2.
De gronden waarop het verzet van belanghebbende baseert staan vermeld in het verzetschrift.
3.Beoordeling van het verzet
3.1.
In verzet klaagt belanghebbende over dat zijn zaken afgedaan zijn middels de vereenvoudigde behandeling. Daarnaast geeft belanghebbende aan graag zijn zaken mondeling toe te willen lichten. De rechtbank overweegt als volgt.
3.2.
Op de hoofdregel dat in elke beroepsprocedure in beginsel een zitting plaatsvindt, worden in de wet diverse uitzonderingen gemaakt. Eén van die uitzonderingen biedt artikel 8:54 vanPro de Awb. Op grond van dat artikel kan de rechter besluiten om een zaak vereenvoudigd te behandelen indien de rechter kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De gronden zoals door belanghebbende zijn aangevoerd kunnen niet leiden tot de conclusie dat de rechtbank de beroepsprocedure ten onrechte vereenvoudigd heeft afgedaan. De stelling dat de zaken voor belanghebbende te belangrijk zijn om vereenvoudigd af te doen, maakt niet dat de rechtbank de zaken niet vereenvoudigd kon afdoen of belanghebbende had moeten horen voorafgaand aan het doen van uitspraak. De rechtbank merkt daarbij verder op dat belanghebbende in verzet is uitgenodigd om zijn gronden mondeling ter zitting toe te lichten, maar dat belanghebbende niet is verschenen. De enkele stelling dat de bewijsvoering van de belastingdienst eenzijdig en oneigenlijk is, is onvoldoende om te oordelen dat de in verzet bestreden uitspraak onjuist is of niet via vereenvoudigde behandeling had mogen worden afgedaan. De rechtbank zal het verzet dan ook ongegrond verklaren. Dit betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand blijft.
3.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
4.Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 4 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.