Belanghebbende was in 2016 gedurende een deel van het jaar fiscaal inwoner van Indonesië en vervolgens van Nederland. Hij werkte in die periode bij een Nederlandse werkgever en had een wereldwijd inkomen van €104.357. De inspecteur had de algemene heffingskorting volledig geweigerd op grond van het wereldinkomen, terwijl belanghebbende betoogde dat de afbouw van de heffingskorting voor het binnenlandse deel moest worden berekend op basis van het binnenlandse inkomen.
De rechtbank oordeelde dat voor het premiedeel van de heffingskorting het wereldinkomen moet worden gehanteerd, conform de Wet financiering sociale verzekeringen. Voor het inkomstenbelastingdeel moet echter worden uitgegaan van het binnenlandse belastbare inkomen, omdat Nederland geen heffingsrecht heeft over het buitenlandse inkomen en dit niet in de tariefstructuur wordt betrokken.
De aanslag werd daarom verminderd met €152 aan algemene heffingskorting en de belastingrente dienovereenkomstig aangepast. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De rechtbank verwierp het bezwaar dat het motiveringsbeginsel was geschonden, aangezien de inspecteur de reactie van belanghebbende alsnog had behandeld.