In deze zaak vordert eiser betaling van een geldlening van €54.907,00 die hij aan zijn broer, gedaagde, had verstrekt. De lening is vastgelegd in een schuldbekentenis uit 1998, waarin is bepaald dat de hoofdsom te allen tijde aflosbaar is, mits met een waarschuwing van drie maanden.
Eiser stelde de vordering opeisbaar per 7 april 2020, maar gedaagde verweerde zich met het verjaringsverweer. De rechtbank oordeelt dat de vordering een verbintenis betreft die na onbepaalde tijd moet worden nagekomen, waardoor de verjaringstermijn van twintig jaar geldt. De opeisbaarheid met drie maanden opzegtermijn betekent dat de vordering op zijn vroegst vanaf 19 juni 1998 opeisbaar was.
Omdat meer dan twintig jaar verstreken is tot de opeising in 2020, is de vordering verjaard. Het standpunt van eiser dat hij niet direct tot opeising kon overgaan is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst daarom de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.