ECLI:NL:RBZWB:2021:2770

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2021
Publicatiedatum
3 juni 2021
Zaaknummer
AWB- 21_2042 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWaterwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor jaarrond exploitatie strandpaviljoen op primaire waterkering

Verzoeker exploiteert sinds 2016 een strandpaviljoen op een primaire waterkering en beschikt over een vergunning die alleen seizoensgebonden exploitatie toestaat van 1 maart tot 1 november. Verzoeker wil deze vergunning uitbreiden naar jaarrond exploitatie en heeft meerdere verzoeken en procedures gevoerd, waaronder een eerdere uitspraak van de Raad van State die het seizoensgebonden karakter bevestigde.

In afwachting van de behandeling van het beroep tegen de afwijzing van de jaarrondvergunning, heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om toch jaarrond exploitatie toe te staan. De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed en dat het verzoek om jaarrond exploitatie een te vergaande maatregel is voor een voorlopige voorziening.

Verzoeker stelt dat de coronamaatregelen zijn financiële situatie nijpend maken, maar de rechter acht niet aannemelijk dat het wachten op de uitspraak tot een acute financiële noodsituatie leidt. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter T. Peters op 3 juni 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor jaarrond exploitatie van het strandpaviljoen op de primaire waterkering is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisendheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/2042 WATER

uitspraak van 3 juni 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 december 2020 (bestreden besluit) inzake de weigering om verzoeker toe te staan het door hem geëxploiteerde Strandpaviljoen [naam strandpaviljoen] altijd jaarrond geplaatst te mogen hebben op de primaire waterkering [locatie] .
Bij brief van 8 mei 2021 heeft verzoeker tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Uit de stukken komt naar voren dat verzoeker sedert 24 oktober 2016 beschikt over een vergunning op grond van de Waterwet voor het seizoensgebonden behouden van een paviljoen op de primaire waterkering [locatie] . Verzoeker wil graag dat voor deze activiteit jaarrond vergunning wordt verleend en heeft hiervoor al eerder verzoeken ingediend en procedures gevoerd tegen de afwijzing hiervan. In haar uitspraak van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3353, oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de Minister in redelijkheid vergunningvoorschrift 4, waarin is bepaald dat het paviljoen uitsluitend in de periode van 1 maart tot 1 november aanwezig mag zijn, heeft kunnen vaststellen.
Per brief van 21 april 2020 heeft brancheorganisatie Koninklijke Horeca Nederland aan Rijkswaterstaat, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen verzocht om eenmalig, gedurende het winterseizoen 2020-2021, strandpaviljoens toestemming te geven om te blijven staan. Exploitanten van strandpaviljoens zouden zich in de huidige crisissituatie eenmalig de kosten van afbreken en weer opbouwen van paviljoens besparen. Op dit verzoek is welwillend gereageerd.
Los van dit verzoek van de Koninklijke Horeca Nederland heeft verzoeker zelf op 22 mei 2020 schriftelijk verzocht om de beperking “seizoensgebonden” in de vergunning van 24 oktober 2016 te wijzigen in de mogelijkheid jaarrond aanwezig te mogen zijn.
Bij het primaire besluit van 30 juli 2020, heeft de Minister besloten de watervergunning te wijzigen door als eenmalige uitzondering, onder het stellen van voorschriften, toe te staan dat het paviljoen van verzoeker in het winterseizoen van 1 november 2020 tot 1 maart 2021
aanwezig mag zijn. Op het verzoek van verzoeker om altijd jaarrond aanwezig te mogen zijn is afwijzend besloten.
Tegen deze afwijzing heeft verzoeker bezwaar gemaakt en bij het bestreden besluit heeft de Minister de bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Navraag bij de rechtbank leerde hem dat zijn beroep op zijn vroegst in het vierde kwartaal van dit jaar en mogelijk zelfs pas in het eerste kwartaal van 2022 behandeld zou kunnen worden. Daarom heeft verzoeker op 8 mei 2021 tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Volgens verzoeker is sprake van onverwijlde spoed omdat door het ontbreken van een jaarrond watervergunning er géén jaarrond onderpand is voor corona gerelateerde financiële ondersteuning in de vorm van overheidssteun en/of leningen. Doordat de corona
maatregelen ook momenteel nog van invloed zijn op de omzet wordt de situatie om
voormelde reden voor hem steeds nijpender. Onder verwijzing naar zijn beroepschrift heeft verzoeker aangevoerd dat hij volledig aan alle voorwaarden voldoet om een jaarrond watervergunning te kunnen krijgen. Verzoeker heeft verzocht om de Minister op te dragen alsnog een jaarrond watervergunning te verlenen.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de rechtbank beroep aanhangig is, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op dit beroep. Er dient derhalve sprake te zijn van een zelfstandige spoedeisendheid bij een te treffen voorlopige voorziening en het moet niet alleen gaan om bespoediging van de afdoening van het beroep.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker een voorlopige voorziening wenst met de strekking dat de Minister wordt gelast om alsnog een zodanige watervergunning te verlenen dat het paviljoen van verzoeker altijd jaarrond aanwezig mag zijn. De voorzieningenrechter acht dit een te vergaande maatregel die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningprocedure. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat voor het treffen van de voorziening dat het verzoeker moet worden toegestaan om gedurende het winterseizoen 2021-2022 zijn paviljoen op [locatie] te laten staan, vereist is dat sprake is van een dermate spoedeisend belang dat hij de uitspraak van de rechtbank op zijn beroep niet kan afwachten. Verzoeker heeft weliswaar aangevoerd dat door de weigering van de Minister zijn financiële situatie steeds nijpender wordt, maar hij heeft niet gesteld, en de voorzieningenrechter acht ook niet aannemelijk, dat het moeten wachten op uitspraak van de rechtbank zal leiden tot een financiële noodsituatie voor zijn bedrijf. Verzoeker weet al sedert het verkrijgen van zijn watervergunning op 24 oktober 2016 dat hij zijn bedrijfsvoering moet afstemmen op de periode van 1 maart tot 1 november.
6. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom afwijzen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 3 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Afschrift verzonden op:
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.