Belanghebbende heeft in 2018 haar lijfrentepolis bij een verzekeraar afgekocht voor €48.546. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, waarbij gelijktijdig een beschikking revisierente van €9.709 werd opgelegd, gelijk aan 20% van de afkoopsom.
Belanghebbende verzocht om vermindering van de revisierente wegens arbeidsongeschiktheid ten tijde van de afkoop. De inspecteur wees dit verzoek af en handhaafde de beschikking bij uitspraak op bezwaar. De rechtbank stelde vast dat de beschikking revisierente correct was berekend volgens de wet, maar dat de inspecteur de revisierente tijdens het beroep had verminderd tot €1.580, gebaseerd op een lagere afkoopwaarde.
De kern van het geschil betrof de vraag of de revisierente terecht was opgelegd en of de inspecteur hiermee handelde in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij mocht vertrouwen op een toezegging van de inspecteur dat de revisierente zou worden kwijtgescholden na overleg van een medische verklaring.
De rechtbank wees het beroep op het vertrouwensbeginsel af en benadrukte dat zij niet bevoegd is om op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken van een juiste wetstoepassing. Het beroep werd gegrond verklaard vanwege de vermindering van de revisierente door de inspecteur, en de rechtbank gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht.