In deze civiele bodemzaak vordert de gemeente Etten-Leur de revindicatie van twee stroken grond die grenzen aan het perceel van de gedaagden. De rechtbank heeft bewijsopdrachten gegeven aan zowel de gemeente als aan een van de gedaagden, [gedaagde sub 2] sr., om het bestaan van een overeenkomst van bruikleen en informatie over perceelsgrenzen aan te tonen.
De gemeente slaagt er niet in te bewijzen dat begin jaren negentig een bruikleenovereenkomst met [gedaagde sub 2] sr. is gesloten voor het gebruik van de strook grond aan de voorkant. Ook [gedaagde sub 2] sr. kan niet bewijzen dat de gemeente hem destijds heeft geïnformeerd over de perceelsgrens bij de aanvraag van een vergunning in 1983. Hierdoor staat vast dat de gemeente de eigendom van beide stroken grond door bevrijdende verjaring heeft verloren.
De primaire vordering tot revindicatie wordt daarom afgewezen. De rechtbank wijst wel de door de gemeente gevorderde schadevergoeding van €12.000 toe aan de gemeente. Daarnaast worden de proceskosten verdeeld waarbij de gemeente en [gedaagde sub 2] sr. elk in de kosten van de wederpartij worden veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.