ECLI:NL:RBZWB:2021:2832
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vergoeding proceskosten na intrekking voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en vroeg om een voorlopige voorziening. Voordat de zitting plaatsvond, besloot het college van burgemeester en wethouders van Breda het besluit niet te handhaven en verleende alsnog bijzondere bijstand. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in.
Later diende verzoeker een verzoek in tot vergoeding van de gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek tot vergoeding van proceskosten gelijktijdig met de intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden ingediend. Omdat verzoeker dit niet had gedaan, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek niet inhoudelijk en deed geen uitspraak over de proceskostenvergoeding. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van proceskosten is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gelijktijdigheid met de intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.