ECLI:NL:RBZWB:2021:2835

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
BRE 20/6163
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.5 Wet inkomstenbelasting 2001Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 23 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2020

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, waarin rekening werd gehouden met een hoger bedrag aan ingehouden loonheffing dan in de tweede voorlopige aanslag. De rechtbank moest beoordelen of het beroep ontvankelijk was, waarbij centraal stond of de tweede voorlopige aanslag als een voor bezwaar vatbare beschikking kon worden aangemerkt.

De rechtbank overwoog dat de tweede voorlopige aanslag was opgelegd conform het verzoek van belanghebbende, met inachtneming van het door hem opgegeven inkomen uit werk en woning en het toen bekende bedrag aan ingehouden loonheffing. Omdat het digitaal indienen van het verzoek geen mogelijkheid bood om het hogere bedrag aan ingehouden loonheffing door te geven, was de inspecteur niet op de hoogte van dit hogere bedrag en had hij het verzoek niet geheel of gedeeltelijk afgewezen.

De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat de inspecteur een uitgebreidere onderzoeksplicht had om het juiste bedrag aan ingehouden loonheffing vast te stellen, aangezien een voorlopige aanslag een schatting betreft. Ook wees de rechtbank op het gerechtvaardigde doel van het niet digitaal kunnen doorgeven van loonheffingbedragen, namelijk het voorkomen van onterechte hoge teruggaven.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de tweede voorlopige aanslag geen voor bezwaar vatbare beschikking is en de derde voorlopige aanslag geen uitspraak op bezwaar vormt. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is niet inhoudelijk op de kostenvergoeding ingegaan.

Uitkomst: Het beroep tegen de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2020 is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/6163
uitspraak van 4 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Het bestreden besluit
De aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.590 ( aanslagnummer [X] ).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, mr. [gemachtigde] verbonden aan [kantoor] De inspecteur is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

2.Gronden

2.1.
Met dagtekening 31 januari 2020 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2020 opgelegd.
2.2.
Belanghebbende heeft op 23 januari 2020 een verzoek gedaan tot het opleggen van een nadere voorlopige aanslag. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van het aangifteprogramma Tecknow.
2.3.
Naar aanleiding van dit verzoek is met dagtekening 14 februari 2020 aan belanghebbende een tweede voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: de tweede voorlopige aanslag). In deze voorlopige aanslag is rekening gehouden met het door belanghebbende vermelde bedrag aan inkomen uit werk en woning. In deze voorlopige aanslag is verder rekening gehouden met een bedrag van € 2.913 aan ingehouden loonheffing.
2.4.
Belanghebbende heeft een brief gestuurd aan de inspecteur waarin hij aangeeft bezwaar te maken tegen de tweede voorlopige aanslag omdat rekening gehouden moet worden met een ander bedrag aan loonheffing en waarbij is verzocht om een kostenvergoeding. Naar aanleiding van deze brief heeft de inspecteur een derde voorlopige aanslag opgelegd. In deze voorlopige aanslag heeft hij rekening gehouden met het door belanghebbende voorgestane bedrag van € 3.812 aan ingehouden loonheffing. De inspecteur heeft geen kostenvergoeding toegekend. Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen.
2.5.
In geschil is de vraag of het beroep van belanghebbende ontvankelijk is. Meer specifiek is in geschil of de tweede voorlopige aanslag moet worden gezien als een voor bezwaar vatbare beschikking en de derde voorlopige aanslag daarom moet worden gezien als een uitspraak op bezwaar.
2.6.
Gelet op artikel 9.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 staat tegen een voorlopige aanslag geen bezwaar (en beroep) open. Dit is anders indien de inspecteur een verzoek om herziening van een voorlopige aanslag geheel of gedeeltelijk afwijst. In dat geval beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking en staat tegen die beslissing wel bezwaar (en beroep) open.
2.7.
De vraag die voorligt is of de inspecteur bij het opleggen van de tweede voorlopige aanslag het verzoek tot herziening van de (eerste) voorlopige aanslag geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt als volgt.
Belanghebbende heeft verzocht om herziening van de voorlopige aanslag, en is van mening dat de inspecteur naar aanleiding het ingediende verzoek rekening had moeten houden met een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 3.812. Tussen partijen is niet in geschil dat de tweede voorlopige aanslag conform het verzoek is opgelegd voor wat betreft het inkomen uit werk en woning. Tussen partijen is, anders dan in de door belanghebbende aangehaalde uitspraak van rechtbank Breda [1] , ook niet in geschil dat het voor belastingplichtigen bij het digitaal indienen van een verzoek om herziening niet mogelijk is om het bedrag aan ingehouden loonheffing digitaal mee te zenden naar de inspecteur. De inspecteur was daarom bij het beoordelen van het verzoek niet op de hoogte van het door belanghebbende voorgestane bedrag aan ingehouden loonheffing. Dit betekent dat de inspecteur met het opleggen van de tweede voorlopige aanslag op basis van de in het verzoek aan hem toegezonden gegevens, het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag niet geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen.
Het standpunt van belanghebbende dat de inspecteur juist om de reden dat het gegeven van de ingehouden loonheffing niet kan worden ingezonden een verdergaande onderzoeksplicht heeft om de voorlopige aanslag met het juiste bedrag aan ingehouden loonheffing vast te stellen, wordt door de rechtbank verworpen. Het karakter van een voorlopige aanslag brengt met zich mee dat sprake is van een schatting en dat een deel van de gegevens nog niet vast staat [2] . De inspecteur is dus niet gehouden om uitgebreid(er) onderzoek te doen. Dat in verzoeken om herziening van een voorlopige aanslag geen bedragen aan ingehouden loonheffing kunnen worden doorgegeven dient bovendien een gerechtvaardigd doel, namelijk om te voorkomen dat middels het onjuist invullen van dit gegeven op eenvoudige wijze onterecht (te) hoge teruggaven worden geclaimd en worden uitbetaald.
2.8.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tweede voorlopige aanslag niet een voor bezwaar vatbaar besluit is. De derde voorlopige aanslag valt dus ook niet aan te merken als een uitspraak op bezwaar maar is een beslissing op een (hernieuwd) verzoek om herziening van de tweede voorlopige aanslag na de volledig conform de eerste verzochte herziening opgelegde (tweede) voorlopige aanslag. Daarmee is de derde voorlopige aanslag niet aan te merken als een uitspraak op bezwaar en daarmee ook niet vatbaar voor beroep. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of recht bestaat op een kostenvergoeding.
2.9.
Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van drs. L. Mattijssen, griffier, op 4 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Rechtbank Breda, 16 oktober 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2071
2.Zie in dat kader ook de omschrijving in art. 23 van Pro de Uitvoeringsregeling van de Algemene wet inzake rijksbelastingen