Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, waarin rekening werd gehouden met een hoger bedrag aan ingehouden loonheffing dan in de tweede voorlopige aanslag. De rechtbank moest beoordelen of het beroep ontvankelijk was, waarbij centraal stond of de tweede voorlopige aanslag als een voor bezwaar vatbare beschikking kon worden aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat de tweede voorlopige aanslag was opgelegd conform het verzoek van belanghebbende, met inachtneming van het door hem opgegeven inkomen uit werk en woning en het toen bekende bedrag aan ingehouden loonheffing. Omdat het digitaal indienen van het verzoek geen mogelijkheid bood om het hogere bedrag aan ingehouden loonheffing door te geven, was de inspecteur niet op de hoogte van dit hogere bedrag en had hij het verzoek niet geheel of gedeeltelijk afgewezen.
De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat de inspecteur een uitgebreidere onderzoeksplicht had om het juiste bedrag aan ingehouden loonheffing vast te stellen, aangezien een voorlopige aanslag een schatting betreft. Ook wees de rechtbank op het gerechtvaardigde doel van het niet digitaal kunnen doorgeven van loonheffingbedragen, namelijk het voorkomen van onterechte hoge teruggaven.
Daarom oordeelde de rechtbank dat de tweede voorlopige aanslag geen voor bezwaar vatbare beschikking is en de derde voorlopige aanslag geen uitspraak op bezwaar vormt. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is niet inhoudelijk op de kostenvergoeding ingegaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2020 is niet-ontvankelijk verklaard.