ECLI:NL:RBZWB:2021:2856
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WW-uitkering en vaststelling termijnbedrag door UWV
Eiser ontving een WW-uitkering en toeslag van september 2017 tot juni 2018. Na melding van werk per 6 maart 2018 herzag het UWV de uitkering en stelde vast dat teveel was betaald. Eiser moest dit bedrag terugbetalen in maandelijkse termijnen. Het primaire besluit stelde het termijnbedrag vast op €333,48 per maand. Eiser maakte bezwaar tegen dit bedrag, met name over de hoogte van de beslagvrije voet.
De rechtbank oordeelt dat het geschil beperkt is tot de vaststelling van het termijnbedrag en niet de terugvordering zelf. Het UWV heeft het termijnbedrag berekend op basis van de aflossingscapaciteit, waarbij rekening is gehouden met het inkomen van eiser, de beslagvrije voet en schulden aan preferente schuldeisers. De beslagvrije voet is vastgesteld op €1.044,52, hoger dan 95% van de bijstandsnorm, conform het beleid van het UWV.
De rechtbank volgt het UWV in de stelling dat eiser zijn inkomsten niet heeft doorgegeven, waardoor het UWV terecht de aflossingscapaciteit heeft vastgesteld. De berekening van het termijnbedrag is juist en er is geen aanleiding om het bezwaar van eiser toe te wijzen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde termijnbedrag voor terugvordering wordt ongegrond verklaard.