Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende bezwaar in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij hij onder meer een bedrag aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking had opgegeven. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de bezwaartermijn en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de aanslag op juiste wijze was bekendgemaakt en dat het bezwaarschrift te laat was ingediend. Tevens was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen.
Verder stelde belanghebbende dat de aanslag te hoog was vastgesteld, mede op basis van een negatief inkomen in 2019. De rechtbank vond dat dit onvoldoende was om de aanslag 2018 te verminderen, aangezien de aanslag aansloot bij de door de gemeente verstrekte gegevens en er geen bewijs was dat het belastbaar inkomen te hoog was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter V.A. Burgers en griffier L.M. de Leeuw van Weenen op 9 juni 2021. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2018 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.