Eiser was werkzaam als productiemedewerker en sectieoperator, maar viel uit wegens rug- en psychische klachten en een auto-ongeval. Het UWV kende hem in 2018 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 61,92%. Later beëindigde het UWV de loongerelateerde uitkering en bracht eiser in aanmerking voor een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 56,02% per 21 november 2019.
Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling en overhandigde een psychiatrisch rapport dat volledige arbeidsongeschiktheid zou ondersteunen. Het UWV baseerde zich op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en een arbeidsdeskundige b&b, die de belastbaarheid en geschiktheid voor functies als wikkelaar en productiemedewerker beoordeelden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en geen aanwijzingen vond om de mate van arbeidsongeschiktheid te verlagen. De functies die ten grondslag lagen aan de berekening van de arbeidsongeschiktheid overschreden de belastbaarheid niet. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser werd terecht in de categorie van 55 tot 65% arbeidsongeschiktheid geplaatst.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten en openbaar gemaakt op 10 juni 2021.