Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend voor rangschikking van een onroerende zaak als landgoed volgens de Natuurschoonwet 1928, met het oog op vrijstelling van overdrachtsbelasting. De onroerende zaak van 1 hectare werd aangekocht voor €615.000, waarbij geen overdrachtsbelasting werd betaald. Omdat geen rangschikking was afgegeven, legde de inspecteur een naheffingsaanslag op.
De rechtbank oordeelde dat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging niet rangschikkingswaardig was, onder meer omdat de minimale oppervlakte van 5 hectare niet werd gehaald. Ook was het verzoek om een deskundige af te vaardigen niet gegrond. De rechtbank verwierp de stelling dat sprake was van discriminatie of een buitensporige last volgens het EVRM.
De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU, omdat de Natuurschoonwet geen Unierechtelijke bepalingen bevat. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de onroerende zaak niet rangschikkingswaardig was.