Belanghebbende, woonachtig in België, werd voor het jaar 2017 aangeslagen voor inkomstenbelasting en kreeg een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. Ondanks uitstel en herinneringen heeft belanghebbende de aangifte niet binnen de gestelde termijn ingediend. De inspecteur legde daarom een aanslag op een geschat inkomen op, inclusief belastingrente en een verzuimboete.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Het bezwaar werd aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering, waarop de inspecteur het belastbare inkomen op nihil stelde en de aanslag verminderde, maar de boete in stand hield.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat belanghebbende geen verschoonbare reden heeft aangevoerd voor de termijnoverschrijding. Daarnaast is het verzoek om ambtshalve vermindering van de boete terecht afgewezen, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de boete onterecht of te hoog is vastgesteld. De stelling dat geen aangifte hoefde te worden gedaan omdat hij in België woonde, wordt verworpen. Ook het argument dat de boete te hoog is vanwege een boete voor zijn partner wordt niet gevolgd, omdat het om afzonderlijke belastingplichtigen en verzuimen gaat.