Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende ontving in 2018 een invaliditeitspensioen dat met terugwerkende kracht betrekking had op de jaren 2001 tot en met 2018. De inspecteur legde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) op over het volledige bedrag in 2018. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag, stellende dat het genietingstijdstip van het pensioen verdeeld moest worden over de jaren 2001 tot en met 2018 op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
De rechtbank overwoog dat loon wordt geacht te zijn genoten op het moment van ontvangst en dat artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 slechts afwijkt van dit uitgangspunt indien overeengekomen is dat loon op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten. Hoewel belanghebbende stelde dat een dergelijke afspraak met het pensioenfonds bestond, leidde dit niet tot een ander oordeel. Het volledige invaliditeitspensioen was immers in 2018 ontvangen en moest daarom in dat jaar worden belast.
Het standpunt van belanghebbende dat deze heffing onredelijk en onbillijk zou zijn, werd verworpen omdat de belastingheffing rechtstreeks uit de wet voortvloeit en de rechter niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het beroep tegen de belastingrente af, aangezien daartegen geen afzonderlijke gronden waren aangevoerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het volledige invaliditeitspensioen in 2018 wordt bevestigd.