Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 28 januari 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 31 oktober 2019 te beëindigen. De medische beoordeling door verzekeringsartsen concludeerde dat eiseres reële fysieke en mentale beperkingen heeft, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) werd aangepast met beperkingen passend bij haar psychische problematiek en medicatiegebruik.
Eiseres voerde aan dat haar beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, met name door pijnklachten, psychische problematiek en medicatiegebruik. Zij overhandigde aanvullend fysiotherapeutische rapporten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de subjectieve klachten onvoldoende geobjectiveerd waren om tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid te komen.
De arbeidsdeskundige stelde dat drie functies passend waren binnen de belastbaarheid van eiseres. De rechtbank vond de motivering van de arbeidsdeskundige overtuigend en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid 9,01% bedraagt, onvoldoende voor recht op WIA-uitkering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat de arbeidsongeschiktheid 9,01% bedraagt.