ECLI:NL:RBZWB:2021:3058

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2021
Publicatiedatum
17 juni 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1967 VV PKV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking besluit bijzondere bijstand

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om haar aanvraag voor bijzondere bijstand buiten behandeling te stellen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Nadat het college telefonisch had meegedeeld het bestreden besluit in te trekken en verzoekster hierover was geïnformeerd, trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat door de intrekking van het besluit het college (gedeeltelijk) aan verzoekster was tegemoetgekomen, aangezien de aanvraag weer in behandeling werd genomen. Daarom wees de voorzieningenrechter de proceskostenveroordeling toe en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

De proceskosten werden vastgesteld op € 267,--, gebaseerd op de zwaarte van de zaak en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het griffierecht werd vastgesteld op € 49,--. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 267,-- en vergoeding van griffierecht van € 49,-- aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1967 PW VV
uitspraak van 16 juni 2021 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. C. van der Ent,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 februari 2021 (bestreden besluit) van het college inzake de buiten behandeling stelling van haar aanvraag voor bijzondere bijstand. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Namens het college is telefonisch meegedeeld dat het bestreden besluit wordt ingetrokken. Verzoekster is hierover ook geïnformeerd.
Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ook zonder het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening een nieuw besluit had afgegeven en dat geen sprake is van gedeeltelijk tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75 a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de intrekking van het bestreden besluit dat het college in ieder geval gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Door deze intrekking is immers de aanvraag weer in behandeling genomen. Dat nog niet inhoudelijk beslist is op de aanvraag maakt dat niet anders. Nu (gedeeltelijk) aan verzoekster is tegemoet gekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 267,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met wegingsfactor op 0,5 vanwege de geringe zwaarte van de zaak. De zwaarte wordt gewaardeerd op ‘licht’).
3. Nu het college aan verzoekster (gedeeltelijk) is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om het college tevens te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 267,--;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 49,-- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 16 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.