ECLI:NL:RBZWB:2021:3081
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning te sluiten op grond van de Opiumwet vanwege de vondst van acht dozen MAPA, caustic soda, een vacumeermachine en een goederenweegschaal, die bestemd zijn voor de productie van harddrugs. Verzoeker stelde dat hij niets wist van de inhoud van de pakketten en dat hij slechts had ingestemd met het aannemen ervan onder de voorwaarde dat er geen drugs in zaten.
De burgemeester beriep zich op artikel 13b van de Opiumwet, dat het sluiten van panden mogelijk maakt bij strafbare voorbereidingshandelingen, en stelde dat de woning een schakel vormt in de productie en distributie van drugs. De voorzieningenrechter oordeelde dat persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is en dat verzoeker als bewoner verantwoordelijk is voor de gang van zaken in zijn woning.
De burgemeester had zorgvuldig belangen afgewogen, rekening houdend met de kwetsbare positie van verzoeker en de impact van sluiting, en bood mogelijkheden voor tijdelijke vervangende woonruimte. De voorzieningenrechter vond dat de burgemeester zijn beleidsruimte terecht had benut en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van het Damoclesbeleid rechtvaardigden.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigde de sluiting van de woning voor drie maanden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.