ECLI:NL:RBZWB:2021:3130
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling RDW in proceskosten na intrekking beroep tegen beëindiging tenaamstelling voertuig
Verzoeker stelde beroep in tegen het besluit van de RDW van 28 mei 2020 waarin de tenaamstelling van zijn voertuig werd beëindigd. De RDW kwam verzoeker tegemoet door het besluit niet te handhaven en de tenaamstelling met terugwerkende kracht per 12 april 1997 te laten vervallen. Hierop trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank de RDW te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb de RDW in de proceskosten kan worden veroordeeld indien het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep tegemoetkomt. De RDW betwistte dat verzoeker kosten had gemaakt, maar verzoeker werd bijgestaan door een medewerker van de Rechtswinkel. De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 534,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en oordeelde dat de betalingsverplichting van verzoeker aan de Rechtswinkel vergelijkbaar is met een no cure no pay overeenkomst.
De rechtbank veroordeelde de RDW tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ad € 534,- en wees het griffierecht van € 178,- toe op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak werd gedaan door rechter Kok op 22 juni 2021.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de RDW tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ad € 534,-.