Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 25 juni 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [naam eiseres] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Beoordeling
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres, die sinds 2016 onder bewind staat, verzocht het UWV om de WW-uitkering over de periode van februari tot november 2019 opnieuw uit te betalen op haar beheerrekening. Het UWV wees dit verzoek af omdat de uitkering reeds op de leefgeldrekening was betaald en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar tegen een soortgelijk besluit, diende eiseres opnieuw een verzoek in, dat eveneens werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek van 8 oktober 2020 als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb Pro kon worden beschouwd. Omdat het verzoek inhoudelijk gelijk was aan het eerdere verzoek en geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte, was het UWV bevoegd om de aanvraag af te wijzen zonder inhoudelijke behandeling. De aangehaalde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep werd niet als nieuw feit erkend.
De rechtbank concludeerde dat het UWV het besluit zorgvuldig had voorbereid, eiseres voldoende gelegenheid had gegeven haar standpunten toe te lichten en de afwijzing deugdelijk had gemotiveerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herhaalde aanvraag WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.