De zaak betreft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2017 aan de erfgenamen van een overleden buitenlands belastingplichtige die pensioenuitkeringen ontving vanuit Nederland en woonachtig was in België.
De inspecteur baseerde de navordering op nieuwe informatie uit België over de feitelijke belastingheffing van het pensioen, die afweek van de eerdere veronderstellingen. De rechtbank oordeelt dat deze informatie een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt. Tevens is vastgesteld dat Nederland op grond van het belastingverdrag met België het heffingsrecht heeft over de pensioenuitkeringen.
Belanghebbende voerde aan dat het vertrouwensbeginsel aan navordering in de weg stond omdat een vrijstellingsverklaring was afgegeven. De rechtbank stelt echter dat de kennis van de gemachtigden aan belanghebbende moet worden toegerekend en dat er redelijkerwijs geen vertrouwen kon bestaan dat Nederland af zou zien van heffing ongeacht de feitelijke Belgische belastingheffing.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft de navordering in stand. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.